Muntunster om de waarde van in de Nederlanden in omloop zijnde zilveren munten in stuivers vast te stellen particuliere collectie

Object
Uit messing vervaardigde muntunster met schuifgewicht
Gebruik van het object
De muntunster diende om door weging de waarde van een aantal veel in de Nederlanden in omloop zijnde zilveren munten in stuivers vast te stellen, vandaar ook de decimale indeling
Opschriften
Op de voorzijde van de balansarm zijn de cijfers 6, 7, 12, 14, 24, 31 en 48 afgeslagen
Op de keerzijde van de balansarm zijn de cijfers 25 en 50 afgeslagen
IJkmerken
n.v.t. / ongeijkt
Bijzonderheden
De lengte van de muntunster is circa 80,4 mm

Vermoedelijk werden dergelijke muntunsters in Nederland vervaardigd

Als de ophangbeugel van het schuifgewicht bij weging van een zilveren munt in een inkeping wordt geplaatst, wordt op die manier uiteraard de massa van de betreffende munt bepaald
De bij de inkepingen vermelde cijfers op de balansarm geven echter niet de massa aan, maar de waarde van de hieronder genoemde zilveren munten in stuivers:
* 1/8, 1/4, 1/2 en 1 Spaanse reaal van achten of Spaanse mat
* 1/4 en 1/2 Friese florijn of klapmuts
* 1/2 en 1 rijder ofwel 1/2 en 1 (nieuwe) dukaton
* 1/2 en 1 dukaat ofwel 1/2 en 1 Nederlandse rijksdaalder
De inkepingen naast het aantal stuivers gaven het massatekort in stuivers aan

De Spaanse reaal van achten of Spaanse mat
Ten tijde van de VOC (1602-1798/1799) kende Nederland de gulden van
20 stuivers als gangbare rekeneenheid
Overheden en de VOC voerden hun administratie in guldens, terwijl ook de generale staat, ofwel de balans van de VOC in Nederland, in guldens opgesteld moest worden
Voor de vestigingen van de VOC in Azië golden die boekhoudregels niet, daar was de gulden immers geen algemeen geaccepteerde rekeneenheid
Hoewel elke vestiging in feite te maken had met andere lokale valuta, was in de handel de zilveren Spaanse reaal van achten of de Spaanse mat meestal een zeer gangbare munt
Al in de 16e eeuw introduceerden de Portugezen de reaal in Azië
De VOC bouwde daarop voort en erkende het cruciale belang van de reaal voor het handelsverkeer
Ook in Nederland was de reaal van achten een gangbaar betaalmiddel, met in het begin van de 17e eeuw een koers van 47 stuiver
Die koers diende men ook in Azië aan te houden
De VOC schreef echter niet expliciet voor dat de reaal, of een andere munt, door de vestigingen als boekhoudmunt moest worden gehanteerd
Het is niet onwaarschijnlijk dat de meeste Aziatische vestigingen hun administratie geheel of deels in guldens voerden, of in een gangbare munteenheid die een relatief stabiele verhouding tot de gulden bezat, bijvoorbeeld in realen of rijksdaalders
Het was verplicht om de financiële overzichten die men in Batavia, met behulp van de financiële administratie van de vestigingen, voor geheel Azië samenstelde, in guldens op te stellen
Hierdoor werd consistentie verkregen met de financiële overzichten van de VOC in Nederland, die eveneens in guldens werden opgesteld
De aanvankelijke koers van de Spaanse reaal van achten, 47 stuivers, die op veel plaatsen als betaalmiddel werd gebruikt, werd in 1622 in Nederland en in Azië aangepast en op 48 stuivers vastgesteld

De koers wisselde weliswaar, maar lag meestal toch rond de 48 stuivers

Van de realen waren denominaties van 1, 2, 4 en 8 realen ofwel van 1/8, 1/4, 1/2 en 1 reaal van achten in omloop
De reaal werd onderverdeeld in 34 maravedis, terwijl de maravedí, dus
1/34 deel van de reaal, de kleinste Spaanse rekenmunt was.

Het cijfer 6 op de balansarm staat voor 6 stuiver = 1/8 reaal van achten
Het cijfer 12 op de balansarm staat voor 12 stuiver = 1/4 reaal van achten
Het cijfer 24 op de balansarm staat voor 24 stuiver = 1/2 reaal van achten
Het cijfer 48 op de balansarm staat voor 48 stuiver = 1 reaal van achten

Vóór 1728 was de omloopmassa van de Spaanse reaal van achten vastgesteld op 27,342651111 gram
Op basis daarvan kunnen de massa’s van de te wegen munten als volgt worden berekend:
* De omloopmassa voor 1/8 reaal van achten = 6 = 6 stuiver =
27,342651111/8 = 3,42 gram
* De omloopmassa voor 1/4 reaal van achten = 12 = 12 stuiver = 27,342651111/4 = 6,84 gram
* De omloopmassa voor 1/2 reaal van achten = 24 = 24 stuiver = 27,342651111/2 = 13,67 gram
* De omloopmassa voor = 1 reaal van achten = 48 = 48 stuiver = 27,342651111/1 = 27,34 gram

Empirisch ofwel proefondervindelijk is vastgesteld dat de muntunster in evenwicht komt wanneer het schuifgewicht wordt geplaatst op de posities van 6, 12, 24 en 48 stuiver en als aan de muntklem de daarbij vermelde lasten in grammen worden bevestigd; 6 = 3,4 gram / 12 = 6,8 gram / 24 = 13,7 gram / 48 = 27,3 gram

De door weging bepaalde massawaarden komen overeen met de berekende massawaarden

De Friese florijn van 28 stuiver of klapmuts
In 1601 begon het gewest Friesland zilveren munten te slaan met een gelijke waarde als de daar toen gebruikelijke rekeneenheid
Een florijn was daar in de 16-e eeuw een rekeneenheid van 28 stuivers, met de waarde van 1 goudgulden
De waarde van 28 stuivers werd vanaf 1601 in Friesland echter ook op de zilveren munten afgeslagen, en zo werd de florijn in de 17-e eeuw een in de Republiek geslagen zilveren munt met een waarde van 28 stuivers
Om die reden werden de zilveren Friese munten met een waarde van
28 stuivers ook wel zilveren goudguldens, Vrise guldens, Friesche guldens of Friese guldens genoemd
Andere benamingen voor de 17e-eeuwse zilveren florijnen van 28 stuivers zijn: achtentwintigstuiverstukken, 28 stuiverstukken, 28 stuiver penningen, achtentwintigen, klapmutsen (genoemd naar de naam van het hoofddeksel van de Friese boeren) en daalders
We zullen deze 17e-eeuwse zilveren munten verder aanduiden met de naam florijn
De koers was dus vastgesteld op 28 stuiver

Het cijfer 7 op de balansarm staat voor 7 stuiver = 1/4 Friese florijn
Het cijfer 14 op de balansarm staat voor 14 stuiver = 1/2 Friese florijn

De Friese florijn kende een aantal emissies:
* De 1e emissie 1601-1614
* De 2e emissie 1665-1666
* De 3e emissie 1683-1691
* De 4e emissie 1694; hiervan is slechts één proefslag bekend, dit type is niet in productie genomen

De wettelijke minimale productiemassa van de Friese florijn bij een remedie van 2 engels per mark was:
* Bij de 1e emissie 1601-1614: 18,984985293 gram
* Bij de 2e emissie 1665-1666: 17,010546823 gram
* Bij de 3e emissie 1683-1691: 17,010546823 gram
* De 4e emissie 1694: hiervan is slechts één proefslag bekend, dit type is niet in productie genomen

De wettelijke minimale productiemassa van de Friese florijn van 28 stuiver was, gedurende de periode 1665 tot 1691, bij een remedie van 2 engels per mark 17,010546823 gram
De omloopmassa van de Friese florijn zal daar ongeveer gelijk aan zijn geweest
Op basis daarvan kunnen de massa’s van de te wegen munten als volgt worden berekend:
* De omloopmassa voor 1/4 florijn = 7 = 7 stuiver = 17,010546823/4 =
4,25 gram
* De omloopmassa voor 1/2 florijn = 14 = 14 stuiver = 17,010546823/2 =
8,51 gram

Empirisch ofwel proefondervindelijk is vastgesteld dat de muntunster in evenwicht komt wanneer het schuifgewicht wordt geplaatst op de posities van 7 en 14 stuiver en als aan de muntklem de daarbij vermelde lasten in grammen worden bevestigd: 7 = 4,3 gram / 14 = 9,0 gram

De door weging bepaalde massawaarden komen overeen met de berekende massawaarden

11-08-1659 Plakkaat/muntordonnantie; de nieuwe en vaste muntregeling voor de Republiek (invoering van de zilveren rijder en de zilveren dukaat)
De muntordonnantie van 11-08-1659 schreef twee nieuwe zilveren munten voor; de rijder en de dukaat
Bij plakkaat van 11-08-1659, de nieuwe en vaste muntregeling voor de Republiek, werden die twee nieuwe munten officieel in het muntstelsel van de Republiek toegelaten/geïntroduceerd die allang, weliswaar tegen de zin van de overheid, in de Republiek in omloop waren
Ze werden daarmee dus feitelijk gelegaliseerd

De 1/2 en 1 zilveren rijder of 1/2 en 1 (nieuwe) dukaton
De zilveren rijder was een lichtere imitatie van de Zuid-Nederlandse dukaton, die in de volksmond dan ook al snel (nieuwe) dukaton werd genoemd

In 1659 hadden de Staten-Generaal in Nederland de koers voor 1 zilveren rijder vastgesteld op 3,15 gulden van 20 stuiver ofwel 3,15 x 20 = 63 stuiver en de koers van 1/2 zilveren rijder op 31 1/2 stuiver
Rond 1700 was door de stijging van de zilverprijs de metaalwaarde van de zilveren rijder opgelopen tot circa 65 à 66 stuivers c.q. 65 / 20 à 66 / 20 of respectievelijk 3,25 gulden à 3,30 gulden van 20 stuiver

Het cijfer 31 op de balansarm staat voor 31 1/2 stuiver = 1/2 rijder of
1/2 dukaton
Op het uiteinde van de balansarm is nog een inkeping aanwezig waarbij geen cijfer is vermeld
Die inkeping op de balansarm staat voor 63 stuiver = 1 rijder of 1 dukaton

De wettelijke minimale productiemassa van 1 zilveren rijder of dukaton, volgens de muntordonnantie van
11-08-1659, op de uiterste remedie van 1 engels per mark, was
32,574269544 gram = 32,57 gram
De omloopmassa van 1 rijder of dukaton zal daar ongeveer gelijk aan zijn geweest
Op basis daarvan kunnen de massa’s van de te wegen munten als volgt worden berekend:
* De omloopmassa voor 1/2 rijder of 1/2 dukaton = 31 1/2 = 31 1/2 stuiver = 32,574269544/2 = 16,29 gram
* De omloopmassa voor 1 rijder of 1 dukaton = 63 = 63 stuiver = 32,57 gram

Empirisch ofwel proefondervindelijk is vastgesteld dat de muntunster in evenwicht komt wanneer het schuifgewicht wordt geplaatst op de posities van 31 (31 1/2) en 63 stuiver en als aan de muntklem de daarbij vermelde lasten in grammen worden bevestigd: 31 (31 1/2) = 16,7 gram / 63 = 32,3 gram

De door weging bepaalde massawaarden komen overeen met de berekende massawaarden

1/2 en 1 zilveren dukaat of 1/2 en 1 Nederlandse rijksdaalder
De zilveren dukaat was een lichtere imitatie van de Zuid-Nederlandse patagon of kruisdaalder (of zilveren Soeverein of Kruisdaalder van de Aartshertog of Kruisrijksdaalder) die in de volksmond al snel (nieuwe) Nederlandse rijksdaalder werd genoemd

In 1659 hadden de Staten-Generaal in Nederland de koers voor 1 zilveren dukaat vastgesteld op 2 gulden van 20 stuiver en 10 stuiver ofwel 50 stuiver

Het cijfer 25 op de balansarm staat voor 25 stuiver = 1/2 dukaat of Nederlandse rijksdaalder
Het cijfer 50 op de balansarm staat voor 50 stuiver = 1 dukaat of Nederlandse rijksdaalder

De wettelijke minimale productiemassa van 1 dukaat of 1 Nederlandse rijksdaalder, op de uiterste remedie van 1 engels per mark, was
28,848766576 gram
De omloopmassa van de dukaat of rijksdaalder zal daar ongeveer gelijk aan zijn geweest
Op basis daarvan kunnen de massa’s van de te wegen munten als volgt worden berekend:
* De omloopmassa voor 1/2 dukaat of rijksdaalder =25 = 25 stuiver = 28,848766576/2 = 14,42 gram
* De omloopmassa voor 1 dukaat of rijksdaalder = 50 = 50 stuiver =
28,85 gram

Empirisch ofwel proefondervindelijk is vastgesteld dat de muntunster in evenwicht komt wanneer het schuifgewicht wordt geplaatst op de posities van 25 en 50 stuiver en als aan de muntklem de daarbij vermelde lasten in grammen worden bevestigd: 25 = 14,4 gram / 50 = 28,8 gram

De door weging bepaalde massawaarden komen overeen met de berekende massawaarden

De datering van de muntunster
Uit onderstaande gegevens blijkt dat de muntunster gedateerd kan worden tussen 1659 en 1694

Rond 1658
G.A. van Borssum Buisman beschrijft in zijn artikel “Over munt-gewichten en -balansen” uit 1953 een muntunster van hetzelfde model, gedateerd met het jaartal 1658

Na 11-08-1659
Vanwege het feit dat de 1/2 zilveren rijder of 1/2 (nieuwe) dukaton, die bij het plakkaat van 11-08-1659 als nieuwe munt werd voorgeschreven, op de muntunster zijn vermeld door middel van de aanduiding 31 = 31 1/2 stuiver en door middel van een inkeping op het uiteinde van de balansarm die niet met een cijfer is aangegeven maar die staat voor 63 stuiver

Na 11-08-1659
Vanwege het feit dat de 1/2 en 1 zilveren dukaat of Nederlandse rijksdaalder, die bij het plakkaat van 11-08-1659 als nieuwe munt werden voorgeschreven, op de muntunster zijn vermeld door middel van de aanduidingen
25 = 25 stuiver en 50 = 50 stuiver

Na 1665 tot 1691
Vanwege het feit dat de 1/4 florijn en de 1/2 florijn, met een massa van 17,010546823 gram, conform de 2e emissie van 1665-1666 en de 3e emissie van 1683-1691, op de muntunster zijn vermeld door middel van de aanduidingen 7 = 7 stuiver en 14 = 14 stuiver

Vóór 17-03-1694
Na 1659 werden de zilveren rijders en de zilveren dukaten, die toen feitelijk de zilveren standpenningen waren, meer en meer als handelsmunten gebruikt
Om die reden werd erover nagedacht om weer nieuwe standpenningen in te voeren door drie-, twee-, één- en halve guldenstukken te laten aanmunten
Dat gebeurde uiteindelijk bij het plakkaat van 17-03-1694
De muntunster kan vóór 17-03-1694 gedateerd worden, omdat de zilveren drie-, twee-, één- en halve guldenstukken van respectievelijk 60, 40, 20 en
10 stuiver, die toen bij Plakkaat van de Staten-Generaal daadwerkelijk als algemene standpenningen werden aangenomen, niet met die cijfers op de muntunster zijn vermeld

Noot
Een standpenning is een standaardmunt, een munt geslagen met een bepaalde massa en gehalte, geldig voor betaling tot alle bedragen (in tegenstelling tot pasmunt)

Bovengenoemde conclusies met betrekking tot de datering werden door Rio Holtman in zijn lezing over muntgewichten voor zilveren munten op 01-09-2018 voor de Kring muntgewichten van de Gewichten en Maten Verzamelaars Vereniging te Venlo gedeeld
Hij vermeldde daar;

Muntunster, circa 1658 - circa 1694
Grote zilveren munten werden na circa 1651 niet meer per stuk met muntgewichten nagewogen

Er bestond daarna toch nog een individuele behoefte om zilveren munten na te wegen

Gouden munten verdwenen in het laatste kwart van de 17e eeuw vrijwel geheel uit de geldomloop, zodat de behoefte aan muntgewichtdozen verdween

Rond 1658 introductie van de muntunster voor het nawegen van maximaal 12 zilveren munten, te weten;
- 1, 2, 4 en 8 Reaal
- 1/4, 1/2 en 1 Florijn / Friese gulden
- 1/2 en 1 Rijksdaalder
- Arendsdaalder (Zeeuwse daalder)
- 1/2 en 1 Ducaton

De onderstaande munten zijn op deze muntunster vermeld, dit stemt overeen met hetgeen Rio Holtman vermeldt;
* 1/8, 1/4, 1/2 en 1 Spaanse reaal van achten of Spaanse mat
* 1/4 en 1/2 Friese florijn of klapmuts
* 1/2 en 1 rijder ofwel 1/2 en 1 (nieuwe) dukaton
* 1/2 en 1 dukaat ofwel 1/2 en 1 Nederlandse rijksdaalder

Vóór 1694 einde van de productie van de muntunster; weinig behoefte aan het wegen van zilveren munten
Inventarisnummer
n.v.t. / Particuliere collectie
Foto's
Webmuseum goudenzilverweging.nl