Andere objecten

16 pond / Zeeuwse Dormant uit 1612 collectie DNB
600 guldens van 20 stuiver met de zak collectie W
300 Friese florijnen van 28 stuiver particuliere collectie
1000 ruiterschellingen van 5 1/2 stuiver particuliere collectie
70 gouden dukaten collectie DNB
8 zilveren rijders collectie DNB
50 mark krukgewicht collectie DNB
50 mark krukgewicht collectie W
8 mark krukgewicht collectie W
6 mark krukgewicht collectie W
4 mark krukgewicht uit Utrecht collectie W
4 mark krukgewicht collectie W
2 mark krukgewicht collectie W
1 mark krukgewicht collectie W
1/4 mark krukgewicht collectie W
1 Keuls Trooise mark krukgewicht collectie W
1/2 Keuls Trooise mark krukgewicht collectie W
1 mark blokgewicht collectie W
2 Gents ons blokgewicht met vuurslag collectie W
2 denier particuliere collectie
1/8 pond Leeuwarden of 1/8 Troois pond collectie W
2 Troois pond sluitgewicht S.G. Nagel collectie W
1 Troois pond sluitgewicht S.G. Nagel collectie W
16 Troois lood sluitgewicht P.J. le Cointe collectie W
8 Troois lood sluitgewicht J. l’Admiral collectie W
½ kati krukgewicht / slaper van de stad Batavia collectie W
2 engels vervaardigd door Abraham Groengraft collectie W
Bijzonder gewicht van 4 engels vervaardigd door Jacob l’Admiral collectie W
4 engels vervaardigd door Jacob l’Admiral collectie W
4 engels vervaardigd door Jacob l’Admiral collectie W
3 engels vervaardigd door Jacob l’Admiral collectie W
2 engels vervaardigd door Jacob l’Admiral collectie W
4 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
3 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
3 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
2 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
1 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
1/2 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
1/2 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
1/2 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
1/4 engels vervaardigd door Pieter Jacob le Cointe collectie W
4 engels vervaardigd door Stephanus Gerardus Nagel collectie W
3 engels vervaardigd door Stephanus Gerardus Nagel collectie W
3 engels vervaardigd door Stephanus Gerardus Nagel collectie W
2 engels vervaardigd door Stephanus Gerardus Nagel collectie W
1 engels vervaardigd door Stephanus Gerardus Nagel collectie W
1/2 engels vervaardigd door Stephanus Gerardus Nagel collectie W
4 engels vervaardigd door Theodorus Antonius Nagel collectie W
3 engels vervaardigd door Theodorus Antonius Nagel collectie W
2 engels vervaardigd door Theodorus Antonius Nagel collectie W
1/2 engels vervaardigd door Theodorus Antonius Nagel collectie W
3 engels vervaardigd door Gerrit Mathijsz Man collectie W
2 engels met het opschrift 2 ENG / Franse of Trooise lelie collectie W
1 engels met het opschrift 1 EN / Franse of Trooise lelie collectie W
10, 9, 8, 7, 5, 4 en 3 engels vervaardigd en geijkt door F.J. de Batist collectie W
3, 2 en 1 engels vervaardigd en geijkt door Jacques Delmotte collectie W
5 engels geijkt door Wolschot collectie W
5 engels vervaardigd door Jacobus Franciscus Wolschot collectie W
3 engels met drie Franse of Trooise lelies collectie W
1 Troois lood met cijfer I en één Franse of Trooise lelie collectie W
3 engels met drie Franse of Trooise lelies collectie W
5 engels vervaardigd door Laurens Constant particuliere collectie
3 engels vervaardigd door Paulus Dorsman particuliere collectie
5 aas afkomstig uit Luik collectie W
Spanen doosje met Hollands Trooise azen uit de Noordelijke Nederlanden collectie W

50 mark krukgewicht collectie W

Type gewicht
Krukgewicht
Gebruik van het gewicht
Troois krukgewicht voor het wegen van partijen goud en zilver met een massa van 50 mark

De wisselbank en het wegen van goud en zilver
De wisselbank was een stedelijke instelling belast met giroverkeer
Er waren onder meer wisselbanken in Amsterdam, Middelburg, Delft en Rotterdam
In 1685 ging de Amsterdamse wisselbank zich ook bezighouden met de belening van specie, dat wil zeggen de bewaring van geld tegen een geringe aan de bank te betalen vergoeding
Dat kwam de handel in edel metaal zeer ten goede
Zo verwierven de VOC-kamers de benodigde contanten in gemunte en ongemunte vorm uit verschillende bronnen
Zilveren staven of baren van zekere massa en gehalte betrok men van essayeurs of smelters en bij de muntmeesters werden de gewenste Nederlandse muntsoorten besteld
Dergelijke contanten konden ook worden aangeschaft bij speciehandelaren, dat waren handelaren in muntgeld en muntmateriaal, of men nam ze op uit de voorraden van bijvoorbeeld de Amsterdamse wisselbank
Om dat te kunnen doen moest men echter de beschikking hebben over een speciebriefje of recepis, feitelijk een stortings- of ontvangstbewijs c.q. het bewijs dat een bepaalde soort en hoeveelheid edel metaal of munten in de wisselbank was gedeponeerd
Op het moment dat die specie in de wisselbank in bewaring was gegeven, werd een dergelijk recepis afgegeven, waarna een bedrag op de bankrekening van de aanbrenger werd bijgeschreven
Dat bedrag lag ongeveer 5% onder de marktwaarde van het edel metaal
De houder van het speciebriefje kon het indien gewenst op de Beurs, waar de speciehandel zich in één bepaalde hoek afspeelde, verhandelen
Bij een dergelijke transactie werd alleen het verschil tussen de boekwaarde en de marktwaarde, agio genoemd, verrekend
Vervolgens kon tegen overlegging van het speciebriefje de gewenste specie uit de bank worden opgenomen, waarna het saldo van de bankrekening voor het desbetreffende bedrag werd verminderd
De Amsterdamse wisselbank had overigens de gewoonte om tegen inlevering van een speciebriefje voor een zak muntspecie van bijvoorbeeld 1000 dukaten, niet een willekeurige zak met dat aantal dukaten af te geven, maar slechts die ene zak waarvoor het speciebriefje destijds was afgegeven
De speciekamers van de Amsterdamse wisselbank bevatten een flinke voorraad van zowel oude als nieuwe munten uit binnen- en buitenland
Al in het begin van de 17e eeuw had Amsterdam zich ontwikkeld tot een stapelmarkt voor edele metalen
Daardoor werden vrij regelmatig grote hoeveelheden zilver in de vorm van baren en munten uit Spanje aangevoerd
In Amsterdam waren er in de 17e en 18e eeuw dan ook in de regel ruim voldoende Spaanse realen te vinden, die over het algemeen als grondstof dienden voor de producten van muntmeesters, zilversmeden en essayeurs

Gebruik van het gewicht in de Wisselbank of door een speciehandelaar?
Het gewicht kan in de Wisselbank en/of door speciehandelaren (handelaren in muntgeld en muntmateriaal) gebruikt zijn, echter dan in het bijzonder voor het wegen van hoeveelheden afgegeven edel metaal (goud en zilver) of partijen munten die als muntspecie werden gebruikt
Wanneer een bepaalde soort en hoeveelheid edel metaal of munten in de Wisselbank bank was gedeponeerd ontving men als bewijs daarvoor een speciebriefje of recepis

Noot
Met de term specie, speciën of muntspecie werd muntgeld aangeduid; ook gemunt geld, geldstukken, kleingeld, klinkende munt of geldspeciën genoemd
Zo werd de term specie bijvoorbeeld gebruikt in het gezegde; vijftig gulden in specie of kleingeld
Met speciën of muntspecie werd echter ook het muntmetaal of het muntmateriaal, waaruit de munten werden geslagen, aangeduid
Het was het door de muntmeester contant ingekochte goud en zilver dat behalve uit gouden en zilveren voorwerpen meestal bestond uit muntspecie c.q. muntgeld; munten die teveel gesleten waren of die niet (meer) in de omloop/circulatie waren toegelaten

Gebruik van het gewicht door een geldwisselaar?
Het gewicht kan ook door een geldwisselaar gebruikt zijn
Een geldwisselaar kocht vreemde, niet toegelaten gouden en/of zilveren muntstukken lokaal op in ruil voor muntspeciën die binnen de Republiek of binnen het gewest waar hij werkzaam was wel waren toegelaten
Hij was verplicht om in zijn kantoor een flinke schaar beschikbaar te hebben, waarmee hij alle ingewisselde verboden muntstukken, in aanwezigheid van de aanbieder, moest doorknippen
Van het door hem ingekochte goud en zilver mocht hij echter niet heel veel op voorraad houden
Edelmetaal afkomstig van ingekochte muntspeciën diende hij aan de Muntmeester van zijn gewest aan te bieden; goud in partijen van minimaal
10 mark en zilver in partijen van minimaal 50 mark
Hij diende bovendien al zijn transacties te administreren, voor het goud hanteerde men daarbij een nauwkeurigheid van 1 engels Troois
(1,538024125 gram) en voor het zilver een nauwkeurigheid van 1 ons Troois (30,7604825 gram)
Gieter/fabrikant
Onbekend
Opschriften
50 MARC
Berekende massa
50 mark = 50 x 246,083860000 gram = 12304,193000000 gram
Gewogen massa
12301,1 gram
De afwijking ten opzichte van de berekende massa is
12304,193000000-12301,1 = 3,093000000 gram
Het massaverschil in procenten, ten opzichte van de theoretisch berekende massa zoals op de kraag van het gewicht afgeslagen is zeer gering, namelijk; (12304,193000000-12301,1)/12304,193000000 x 100% = 0,025137772 %
De nauwkeurigheid bedraagt 12304,193000000/(12304,193000000-12301,1) =
1 : 3978,077271259
Dit is nog steeds een hoge nauwkeurigheid, zeker gezien het feit dat het gewicht in 1811 voor het laatst is geijkt en vanaf toen “in omloop” is geweest
IJkmerken
Jaartallen 1782 1803 1811

Het gewicht is voor het eerst geijkt in 1782, een jaar na het overlijden van Pieter Jacob le Cointe
Dat betekent dat het jaartal 1782 en het merk van le Cointe zijn afgeslagen door S.G. Nagel toen hij, van 1781-1797, ijk- en justeermeester-generaal ad interim van Holland en West-Friesland was

Het jaartal 1803 is afgeslagen door S.G.Nagel toen hij van 1797-1810 ijk-en justeermeester-generaal van Holland en West-Friesland was

Het jaartal 1811 is afgeslagen door S.G.Nagel toen hij formeel als ijk- en justeermeester-generaal van Holland en West-Friesland was ontslagen

De Franse of Trooise lelie, die geeft aan dat we te maken hebben met een Troois gewicht ten behoeve van goud- en zilverweging
Eerste ijk
Het jaartal 1782
Laatste ijk
Het jaartal 1811
Aantal keer geijkt
3 x
IJkmeester
Het merk van Pieter Jacob le Cointe (1745-1781), afgeslagen op de kraag van het gewicht
Pieter Jacob le Cointe, werd geboren op 30-04-1745
Hij werd op 10-11-1770 door de Staten van Holland benoemd tot ijk- en justeermeester-generaal van het Troois gewicht over het gehele gewest Holland en West-Friesland
P.J. le Cointe werd na het overlijden van l’Admiral, die buiten Holland in de uitoefening van zijn ambt veel over gebrek aan medewerking had te klagen, dan ook niet meer door de Staten-Generaal over de gehele Unie aangesteld
Hij overleed op 09-09-1781

Het merk van Stephanus Gerardus Nagel (1748-1814), afgeslagen op het gewichtlichaam van het gewicht
S.G. Nagel was assistent van Pieter Jacob le Cointe en werd na het overlijden van le Cointe op 09-09-1781 van 1781-1797 ijk- en justeermeester-generaal ad interim over het gehele gewest Holland en West-Friesland
Dat hield in dat hij tijdens zijn interim-periode (1781-1797) uitsluitend datgene ijkte wat hem ter examinatie werd aangeboden, waarbij hij het ijkmerk van zijn voorganger Pieter Jacob le Cointe gebruikte
Op 27-09-1797 bij decreet van het Provinciaal Bestuur van Holland te Amsterdam benoemd tot ijk- en justeermeester-generaal van het Troois gewicht over het gehele gewest Holland en West-Friesland
Op 10-01-1810 “volgens aanschrijving van den Heer Landdrost in dato
24 Januari 1810” als ijk- en justeermeester-generaal ontslagen
In 1811, toen het gewicht door hem is geijkt, was hij dus formeel niet in functie
Het gewicht stamt derhalve uit de tijd dat de Nederlanden ingelijfd waren bij het Franse Keizerrijk van Napoleon Bonaparte (1810-1813)

Hij werd op 19-03-1814 provisioneel door de Commissaris-Generaal tot de Financiën weer aangesteld

Vermoedelijk heeft S.G. Nagel gedurende de periode van zijn ontslag
(1810-1814), die deels samenviel met de inlijving van de Nederlanden bij het Franse Keizerrijk door Napoleon Bonaparte gedurende de jaren 1810-1813, zijn werkzaamheden weliswaar moeten beperken, echter er kwam niet echt helemaal een einde aan

Tot nog toe, in mei 2016, werd verondersteld dat S.G. Nagel gedurende de periode 1810-1814 alleen herijkte
Nu blijkt echter dat hij ook ijkte, immers in 1811 werd door hem een gewicht van 3 engels geijkt en een sluitgewicht van 1 Troois pond herijkt
Beide gewichten bevinden zich in de collectie van Webmuseum goudenzilverweging.nl

Tijdens die ruim vierjarige onderbreking in de uitoefening van zijn functie tussen 1810 en 1814 ijkte en herijkte S.G. Nagel onder meer de hieronder vermelde objecten

In 1810 de balansschaal van de balans voor goud- en zilverweging vervaardigd door C. Becker te Arnhem, geijkt met het esculaapteken, uit de collectie van Webmuseum goudenzilverweging.nl

In 1810 en 1811 de balans uit de collectie van het Laboratorium voor Electrotechniek van de Technische Hogeschool te Delft

In 1811 het bankgewicht voor 600 guldens van 20 stuiver met de zak uit de collectie van Webmuseum goudenzilverweging.nl

In 1811 het krukgewicht van 50 mark voor goud- en zilverweging uit de collectie van Webmuseum goudenzilverweging.nl

In 1811 het bankgewicht voor 300 zilveren florijnen van 28 stuiver uit de collectie van Webmuseum goudenzilverweging.nl

Engelsen uit het Universiteitsmuseum te Utrecht waarop de jaarletters
D van 1812 en E van 1813 zijn afgeslagen

In 1811 een gewicht van 3 engels uit de collectie van Webmuseum goudenzilverweging.nl

In 1811 een sluitgewicht van 2 Troois pond, zoals, gestaafd met foto’s, op
22-11-2016 door Denie Dijs werd gemeld

In 1811 een sluitgewicht van 1 Troois pond uit de collectie van Webmuseum goudenzilverweging.nl

In 1810, 1811 en 1812 het zeskantige krukgewicht van 50 mark uit de collectie van het Geldmuseum Utrecht / per 01-01-2014 collectie DNB Amsterdam dat op 14-09-2012 door de conservatoren van de Webmusea oudegewichtjes.nl en goudenzilverweging.nl in het depot van het Geldmuseum werd aangetroffen

S.G. Nagel oefende de functie van ijk- en justeermeester-generaal van het Troois gewicht uit totdat hij op 28-11-1814 kwam te overlijden
Bijzonderheden
Het gewichtlichaam is aan de bovenkant versierd met een brede hol geprofileerde rand
Op het gewichtlichaam zijn verder de navolgende sierringen aangebracht;
* Één sierring vlak onder de hol geprofileerde rand
* Twee sierringen onder de bovenste sierring net boven de afslagen van de Franse lelie, het merk van S.G. Nagel en de jaarletters 1803 en 1811
* Twee sierringen onder de afslagen van de Franse lelie, het merk van
S.G. Nagel en de jaartallen 1803 en 1811
* Twee sierringen onder de onderste twee sierringen met tussen de beide paren sierringen een iets bolvormig geprofileerde band

In 1811 was Nederland ingelijfd bij het Franse Keizerrijk van Napoleon Bonaparte (1810-1813)

In het boek 2000 jaar gewichten in de Nederlanden staat op blz. 33 respectievelijk op blz. 43 abusievelijk vermeld:

“In de gebieden die bij het Franse Keizerrijk behoorden werden geen aparte Trooise gewichten voor goud of zilver meer gebruikt”.

“In de gebieden die omstreeks 1810 bij Frankrijk behoorden werden geen aparte Trooise gewichten voor goud of zilver gebruikt”.

Dat er toen nog wel degelijk Trooise gewichten in gebruik waren voor het wegen van goud en zilver wordt duidelijk aan de hand van een aantal Trooise gewichten uit de collectie van het Webmuseum goudenzilverweging.nl
Op al deze gewichten is naast de Franse of Trooise lelie tevens het jaartal 1811 afgeslagen:
* Het gewicht voor het wegen van goud en zilver met een massa van 50 marc
* Het gewicht voor het wegen van 600 guldens met de zak
* Het gewicht voor het wegen van 300 florijnen met de zak

De bovengenoemde Nederlandse gewichten stammen, omdat het jaartal 1811 erop is afgeslagen, uit de tijd dat de Nederlanden ingelijfd waren bij het Franse Keizerrijk en zijn daar toen wellicht gejusteerd, maar zeker geijkt en gebruikt
Overigens werd in de Nederlanden op 01-01-1820, tegelijk met de tweetallige handelsgewichten, ook het Troois gewicht afgeschaft

1782 Geldschaarste / de Stadsbeleeningkamer te Amsterdam / de Wisselbank
In de winter van 1780-1781 brak de vierde Engelse Oorlog uit (1780-1784) en ontstond er op de Amsterdamse Beurs een gevoelige geldschaarste; in feite een kredietcrisis
Als maatregel richtte het Amsterdamse stadsbestuur voor in geldnood verkerende kooplieden een tijdelijke beleenbank op
De stad Amsterdam verstrekte een krediet van maximaal 2 miljoen gulden, een bedrag dat feitelijk uit de stadskas in contanten ter beschikking van de handel werd gesteld
Begin januari 1782 besloot de stadsregering om het bedrijf van de beleenbank voor rekening en risico van de stad voort te zetten
Ter uitvoering van dat besluit werd kort daarna de Stadsbeleeningkamer opgericht, waardoor Amsterdam beschikte over een permanente beleenbank
De Stadsbeleeningkamer heeft zich echter nooit tot een instelling van betekenis ontwikkeld en haar geschiedenis vormt een weinig fraaie bladzijde in de historie van ons bankwezen
Het werkkapitaal van de Stadsbeleeningkamer kwam officieel weliswaar uit de schatkist van de stad Amsterdam, maar in werkelijkheid werden die geldmiddelen niet door de stadskas van Amsterdam maar door de Wisselbank verstrekt
De Wisselbank werd door de burgemeesters gewoon gemachtigd om aan de Stadsbeleeningkamer tot een bepaald bedrag blanco krediet te verlenen
Via de Stadsbeleeningkamer werd de Wisselbank, die sinds lange tijd in strijd met haar karakter en haar bestemming gewend was om niet door metaal gewaarborgde voorschotten te verlenen aan de stad en de VOC, nu ook indirect dienstbaar gemaakt aan het verstrekken van dergelijke voorschotten aan anderen die om krediet verlegen zaten
Tussen 1782 en 1795 verstrekte de Stadsbeleeningkamer kredieten aan particuliere kooplieden, gaf voorschotten aan de VOC, aan de provinciale regering en zelfs een paar keer aan de stedelijke thesaurie, die nota bene ook officieel zelf de leningen aan de Stadsbeleeningskamer verstrekte, toen die in 1787 en 1788 in geldverlegenheid verkeerde
Tegenover de leningen moesten solide onderpanden staan, maar de burgemeesters spoorden de commissarissen aan daar niet lastig over te doen
Dergelijke leningen waren er de oorzaak van dat een steeds kleiner deel van de tegoeden van de Wisselbank door edelmetaal in de kluizen werd gedekt en leidden uiteindelijk tot de ondergang van de Wisselbank

Het gewicht zal in 1782 zijn geijkt, wellicht zelfs voor gebruik in de Stadsbeleeningkamer, om daarmee goud, zilver en tot biljoen verklaarde munten in te nemen om op basis daarvan contant geld ter beschikking van in geldnood verkerende kooplieden c.q. de handel te kunnen stellen

1803 De Wetten van 3 Germinal An. XI. (24-03-1803) en 7 Germinal An. XI. (28-03-1803)
In 1803 maakte Nederland deel uit van de Bataafse Republiek (1795-1806); van 1801-1806 ook wel het Bataafs Gemenebest genoemd
Dat de Nationale Vergadering als de soevereine macht de verandering van het muntwezen niet direct als een prioriteit zag werd bevestigd door de Publicatie van 04-11-1796, daarin werd onder meer aangegeven dat “alle uitvoer van geld of geldspeciën en muntmateriaal zonder behoorlijke permissie” verboden was

De Staatsregeling van 1798 verwoordde in art. 59 lid 2 de eenheid van Munt; “Ook zal er ten aanzien van alle muntspeciën, een gelijke muntslag, door de gantsche Republiek, worden ingevoerd.”

Op 08-08-1799 besloot het Vertegenwoordigend Lichaam om “met vernietiging van alle vorige provinciale munten, maar eene munt voor de geheele republiek in werking te brengen, welke te Amsterdam zal worden opgericht.”
De Staatsregeling van 1801 art. 18 handhaafde dit uitgangspunt en eiste een gedetailleerdere regeling bij wet

In 1800 ondernam men uiteindelijk, in navolging van Frankrijk en wellicht ook uit het oogpunt van prestige, wel serieuze pogingen om een heel nieuw en tevens decimaal muntstelsel in te voeren
Conform de muntwet van 1800 werden er nieuwe munten ontworpen, proefstempels vervaardigd en proefexemplaren van de nationale munt, de Bataafse gulden, geslagen
Ondanks alle inspanningen strandden de voornemens in de Tweede Kamer van de Bataafse Republiek
De muntwet van 1800 werd vanwege geldgebrek niet uitgevoerd

De Wet van 3 Germinal An. XI. (24-03-1803) handelde over het versmelten en hersmelten van oude munten in Frankrijk
Artikel V van die wet stelde; “de daders, begunstigers en medepligtigen van het verminken of het namaaken der Nationale Munten, zullen met den dood worden gestraft”

In de door Napoleon uitgevaardigde Wet van 7 Germinal AN. XI. (28-03-1803) werd de basis van het Franse muntstelsel vastgesteld, die bestond uit de aanmunting van zilveren muntstukken van 1 franc, onderverdeeld in
100 centimes
In die Wet werd naast de specificaties van de Franse franc ook de waardeverhouding tussen goud en zilver vastgelegd; te weten 1 kilogram goud werd gewaardeerd op een vaste tegenwaarde van 15,5 kilogram zilver

Alle pogingen om de Generaliteitsmunten en de provinciale munten te vervangen hebben tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806), het Koninkrijk Holland (1806-1810) en de inlijving van Nederland bij Frankrijk (1810-1813) feitelijk maar een geringe invloed gehad op het muntstelsel en op het courante muntgeld in Nederland
Dat gold, achteraf, ook voor de Franse Wetten van 3 Germinal An. XI.
(24-03-1803) en van 7 Germinal An. XI. (28-03-1803) die ten tijde van de Bataafse Republiek (1795-1806) in ons land nooit van kracht zijn geweest
Pas onder koning Lodewijk Napoleon werd in 1806, conform de Muntwet van september 1806, een nieuw muntstelsel ontworpen zoals dat door zijn broer Napoleon Bonaparte, die streefde naar de invoering van één eenduidig en overzichtelijk muntstelsel in de landen die onder zijn invloed kwamen, werd gepropageerd

Het gewicht zal in 1803 zijn geijkt in de veronderstelling dat de Franse Wetten van 3 Germinal An. XI. (24-03-1803) en van 7 Germinal An. XI. (28-03-1803) ook in Nederland rechtskracht zouden krijgen

1811 De decreten van 18-08-1810, 30-08-1810 en 04-01-1811
In 1811 was Nederland ingelijfd bij het Franse Keizerrijk van Napoleon Bonaparte (1810-1813)
Met de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk in 1810 kreeg het Franse muntstelsel op basis van de Wet van 7 Germinal An. XI.
(28-03-1803), waarmee de franc binnen het Franse Keizerrijk tot de enige legale munt werd verklaard, ook in ons land rechtskracht
Dat betekende dat de Franse franc ook in Nederland de enige legale munt diende te worden
In 1810 en 1811 waren er nog veel van de onder de Franse koningen aangemunte oude speciën in omloop, alsook veel oude Hollandse Generaliteitsmunten en provinciale munten uit de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795)
De decreten uit 1810 en 1811 wijzen daar ook op

Als Franse munten waren toen bijvoorbeeld nog in omloop; in goud de enkele en dubbele Louis d’or ter waarde van respectievelijk 24 en 48 livre en in zilver de Ecus van zes livres, ook wel Ecus de six Francs genoemd, de Ecus van drie livres en een groot aantal kleine muntstukken
Hoewel de woorden Franc en Livre destijds dezelfde betekenis hadden, namelijk van een zilveren munt van 20 Sols, hadden de nieuwe Franc en de oude Livre niet dezelfde waarde

Het gewicht zal in 1811 zijn geijkt in verband met de decreten van 18-08-1810, 30-08-1810 en 04-01-1811

Het decreet van 18-08-1810 bepaalde in artikel 3 dat de zilveren stukken van 6, 12 en 24 sols ingenomen moesten worden
In dat artikel werd de waarde van de bij de “Wissel der Munthuizen” ingeleverde sols uitgedrukt in een aantal francs per kilogram
Gezien het in 1811 geijkte gewicht van 50 mark werden goud, zilver en tot biljoen verklaarde Franse en niet-Franse muntstukken daarnaast blijkbaar nog met Troois gewicht gewogen

In het Keizerlijke decreet van 30-08-1810 stond in artikel 3;
“Het Tarif, bij het tegenwoordig Decreet gevoegd, is voor het overige alléén toepasselijk op het Grondgebied (territoire) van Holland, en niet langer dan tot het tijdstip dat de plaatselijke Munt in Fransche Munt zal veranderd zijn.”

Volgens het decreet van 30-08-1810 gold het tarief van 30-08-1810; dat wilde zeggen dat 1 Hollandse gulden gelijk werd gesteld aan 2 franc en 10 centimes, dat was vanaf toen het voor de wet geldende tarief “naar welke de Ingezetenen des Lands zich te gedragen hebben”
Dat tarief was van toepassing voor het grondgebied van Holland, feitelijk het grondgebied van het voormalige Koninkrijk Holland, en niet langer dan tot het tijdstip waarop de plaatselijke munten tot Franse speciën vermunt zouden zijn
Daaruit blijkt duidelijk dat het de bedoeling was om de oude Hollandse munten, waaronder zilveren guldens, florijnen en schellingen, uit de omloop te halen om ze vervolgens tot Franse speciën te vermunten

Het keizerlijke decreet van 04-01-1811 bepaalde dat voortaan alleen Franse muntspeciën aangemunt mochten worden
In oktober 1812 arriveerde in Utrecht echter pas de eerste zilverzending uit Amsterdam en rond december 1812 werd de eerste nieuwe francs afgeleverd
Uiteindelijk werden er in de loop van 1812/1813 pas zilveren Franse munten van 5, 2, 1 en ½ franc in Utrecht geslagen
In 1813 werden in Utrecht precies 90.183 stuks gouden 20 francstukken geslagen

Wellicht is het gewicht na 1811 niet verder geijkt omdat het uit de omloop nemen van de oude Generaliteitsmunten en de provinciale munten, in eerste instantie onder het Franse regime tot 1813 en later tot 01-01-1820 toen het Troois gewicht werd afgeschaft en het metrieke stelsel werd ingevoerd, niet op grote schaal plaatsvond
De grote muntsanering vond immers pas plaats tussen 1821 en 1849

Ook het aanmunten van nieuwe Franse muntspeciën vond, onder het Franse regime tot 1813, slechts op beperkte schaal plaats en heeft maar een geringe invloed gehad op het muntstelsel en op het courante muntgeld in Nederland

Het gewicht zal wellicht ook juist gedurende de Franse Tijd (1795-1813) in 1803 en 1811 zijn geijkt, omdat er vanwege de slechte economische situatie en de door Frankrijk opgelegde zware lasten een grote behoefte bestond om goud en zilver in te nemen zodat Nederland aan de Franse financiële eisen zou kunnen voldoen
Inventarisnummer
n.v.t. / Collectie W
Foto's
Webmuseum goudenzilverweging.nl