Muntgewichtdozen en muntgewichten
Kooplieden betaalden kostbare zaken vroeger meestal met gouden en zilveren munten. Die munten waren, omdat ze vaak al vele tientallen jaren in de omloop circuleerden, nogal aan slijtage onderhevig, terwijl ze ook werden gesnoeid,waardoor de massa in veel gevallen fors lager was dan die behoorde te zijn.
Geldwisselaars en handelslieden gebruikten muntgewichten en muntbalansen voor de massabepaling van één losse gouden of zilveren munt uit de omloop. Ze zijn aanwezig in de vele bekende muntgewichtdozen. Ze werden echter ook door vrekkige, op geld beluste wisselaars gebruikt om te bicquetteren (naar het Franse woord bicquet, dat muntbalans betekent); dat wil zeggen om de beste, feitelijk te zware muntstukken, uit te wegen. Dat was mogelijk omdat de Munt, bij gebrek aan perfectie, weliswaar met een bepaalde remedie, ongelijke munten afleverde. Wanneer een op geld beluste wisselaar genoeg te zware munten had verzameld liet hij die weer vermunten tot nieuwe,  waarbij hij meer munten terugkreeg dan er aangeboden waren. De keur van de stad Amsterdam van 15-07-1608 vermeldde dat het onder meer verboden was om “oock eenige penninghen te bicquetteren, ende de zwaerste uyt de lichtste te weghen, om haer profijt daer mede te doen”.

Muntgewichtdozen kennen drie verschillenden uitvoeringen;
* Muntgewichtdozen met muntgewichten voor gouden munten; de gouddozen
* Muntgewichtdozen met muntgewichten voor zilveren munten; de zilverdozen
* Muntgewichtdozen met muntgewichten voor zowel gouden als zilveren munten, de superboxen

De muntgewichtdozen zijn, in grote lijnen, verder te onderscheiden in dozen met 1 dek (gewichten in het dek), dozen met 2 dekken (gewichten in het dek en in een onderlade in het dek), dozen met 3 dekken (gewichten in het dek, in een onderlade in het dek en in het deksel). Qua formaten kennen we dozen in klein formaat, in middenformaat, in groot middenformaat en in groot formaat. Verder zijn de stationaire muntgewichtdozen met statief en arrêteerleeuwbalans, ook wel Löwenwaage geheten, en nog een aantal afwijkende modellen bekend.
www.muntgewicht.nl

De gouddozen
Voor het controleren van de massa van gouden munten waren vanaf het einde van de 16e eeuw tot ongeveer 1800 muntgewichtdozen met muntgewichten voor gouden munten in gebruik, de zogeheten gouddozen. Dergelijke gouddozen komen het meest voor. Vreemd is dat niet, immers voor handelstransacties werden veelvuldig gouden munten gebruikt. In veel gouddozen was een etiket geplakt, meestal met de naam van de muntgewichtmaker; in de Nederlanden tevens met afbeeldingen van de belangrijkste muntgewichten en soms ook met een opgave van de vereiste massa.
Voor gouden munten gold een remedie van 2 aas (= 2 x 0,048063254 = 0,096126508 gram). Naast de muntgewichten voor gouden munten gebruikte men daarom ook aasgewichten (1 aas= 0,048063254 gram). Azen waren veelal messing lamelgewichten, die slechts zelden van een ijkmerk zijn voorzien.
De azen werden gebruikt om de ondermassa te bepalen. In feite corrigeerde men daarmee de massa van de gouden munten ten opzichte van de massa van de muntgewichten waarmee de gouden munten werden gewogen. Op gezag van de desbetreffende muntplakkaten moest men voor iedere aas ondermassa (na aftrek van de remedie) vóór de
17e eeuw 1,5 stuiver bijbetalen. In de 17e eeuw was dat bedrag gestegen naar 2 stuiver per aas. De azen bevonden zich in een apart vakje in elke gouddoos. De weegnauwkeurigheid was dus 1 aas of 0,048063254 gram.

De zilverdozen
Zilveren muntstukken waren uiteraard minder waard dan gouden munten. In de koophandel was men daar om die reden dan ook minder in geïnteresseerd. Het loonde immers, gezien de geringe waarde, niet om zilveren munten na te wegen, laat staan om er muntgewichten voor te maken. Vermoedelijk werden zilveren munten daarom in veel mindere mate dan gouden munten nagewogen, en zijn er slechts weinig muntgewichtdozen bekend met muntgewichten voor enkel zilveren munten. Muntgewichtdozen en losse muntgewichten voor zilveren munten zijn zeldzaam, maar nog zeldzamer zijn de zogeheten superboxen; dubbele dozen met muntgewichten voor zowel gouden als zilveren munten.
Net als bij de gouden munten gebruikte men ook bij zilveren munten naast de muntgewichten tot in het begin van de 17e eeuw de azen (1 aas = 0,048063254 gram) om de ondermassa te bepalen. In feite corrigeerde men daarmee de massa van de zilveren munten ten opzichte van de massa van de muntgewichten waarmee de zilveren munten werden gewogen. Op gezag van de desbetreffende muntplakkaten moest men voor zilveren munten per aas ondermassa (na aftrek van de toegestane remedie) rond 1608 een bedrag van 1,5 penning bijbetalen en rond 1645 een bedrag van 2 penning.

Vanaf ongeveer 1645 werd de ondermassa niet meer met azen maar met stuiverazen gewogen.Stuiverazen zijn messing, vierkante lamelgewichten, waarop een cijfer is afgeslagen dat het aantal stuiverazen aangeeft, met daarnaast de letter S, die staat voor stuiveraas. De stuiveraas bezat een massa van 1 stuiveraas = 1/4 engels = 8 aas =
0,384506031 gram. Verder gold; 1 stuiveraas = 16 penning = 1 stuiver.De waardering voor zilveren munten en de weegnauwkeurigheid was in de loop der tijd klaarblijkelijk afgenomen………………

Rond 1956 waren er maar elf muntgewichtdozen met muntgewichten voor zilveren munten uit de Nederlanden bekend. Slechts vier van de elf dozen bevatten uitsluitend muntgewichten voor zilveren munten. Er werden tot 1981 nog maar één of twee van dergelijke dozen ontdekt.

De Amsterdamse muntgewichtmakers die in de 17e eeuw dozen met muntgewichten voor zilveren munten maakten waren; Guilliam de Neve, Jan Janz. Caen, Isaack Abrahamsen, Jacob Drielenburgh en Johannes Andries Groengraft. Van andere muntgewichtmakers zijn enkel losse muntgewichten voor zilveren munten bekend.

De superbox
De term superbox is door Gary Batz bedacht om een dubbele muntgewichtdoos, met muntgewichten voor zowel gouden als zilveren munten, aan te duiden. Een superbox is een muntgewichtdoos die naast een dek met muntgewichten voor gouden munten, tevens een dek met muntgewichten voor zilveren munten bevat.

De superbox met 1 dek
De superbox heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld. Eind 16e eeuw, werden in de gouddozen nog alleen de muntgewichten voor de zilveren Spaanse realen toegevoegd. Dat tonen een unieke muntgewichtdoos uit vermoedelijk 1586 en in enkele Duitse dozen aan.
In het begin van de 17e eeuw ontstaat de superbox met 1 dek, een zeer zeldzame, gecombineerde superbox. Van dergelijke superboxen zijn slechts twee Nederlandse exemplaren bekend. Eén doos uit 1605 is vermoedelijk de oudst bekende gedateerde doos uit Amsterdam en het andere exemplaar, gedateerd 1612, is samengesteld door Guilliam de Neve uit Amsterdam. Uit Duitsland zijn dergelijke dozen overigens ook bekend.
www.muntgewicht.nl

In het dek van een superbox met 1 dek is ruimte voor twee balansen;
1 Een grote balans voor de gouden munten
Een grote balans met een verdiepte, ronde balansschaal en een vlakke, driehoekige balansschaal, voor het wegen van de gouden munten
2 Een kleine balans voor de zilveren munten
Een kleine balans met een verdiepte, ronde balansschaal en een vlakke, ronde balansschaal, voor het wegen van de zilveren munten.
In het dek zijn de muntgewichten voor zowel gouden als voor een aantal zilveren munten opgeborgen.
In het deksel zitten achter de grote dekselschuif de muntgewichten voor gouden munten.
In het deksel zitten achter de kleine dekselschuif de azen en de stuiverazen.
www.muntgewicht.nl

De superbox
Uiteindelijk ontwikkelde de superbox met 1 dek zich tot de superbox; de superbox met 2 dekken, waarbij de muntgewichten voor gouden en zilveren munten in gescheiden dekken werden ondergebracht. Een superbox is van boven naar beneden opgebouwd uit 3 lagen;
1 Het deksel
Het deksel is scharnierend verbonden met het bovenste dek of gouddek.
In het deksel boven het gouddek is een etiket aangebracht.
2 Het gouddek
Het bovenste dek of gouddek bevat alleen muntgewichten voor gouden munten en een balans met een ronde en een driehoekige balansschaal.
Onder het schuifdekseltje liggen de zogeheten azen (1 aas = 0,048063254 gram = 48 mg).
Het gouddek is scharnierend verbonden met het zilverdek.
3 Het zilverdek
Het onderste dek of zilverdek bevat alleen muntgewichten voor zilveren munten en een balans met twee ronde schalen; de beide ronde schalen zijn typerend voor de balansen in Noord-Nederlandse dozen waarmee zilveren munten werden gewogen.
Onder het schuifdeksel liggen de stuiverazen (1 stuiveraas = 8 aas = 0,384506031 gram = 384 mg).
Het zilverdek is aan de voorzijde voorzien van 2 sluithaken die vastgemaakt kunnen worden aan het gouddek.
Op de onderzijde van het gouddek is een ander etiket aangebracht. Dat etiket wordt pas zichtbaar wanneer het gouddek is afgesloten met het deksel, en de beide haakjes aan de voorzijde van de superbox worden geopend, zodat het zilverdek toegankelijk wordt.
www.muntgewicht.nl

De blokbeeldenaar
Voor de vervaardiging van muntgewichten gaf de muntgewichtmaker een geelgieter opdracht om kleine messing blokjes te maken. De muntgewichtmaker werkte vervolgens de ruwe blokjes bij en bracht ze op de juiste massa. Nadat de muntgewichten op massa waren gebracht werd op ieder muntgewicht in de bovenkant de zogeheten blokbeeldenaar afgeslagen. De blokbeeldenaar kan afgeleid zijn van zowel de voor- of de keerzijde van de muntbeeldenaar; de afbeelding of stempeling op een munt. De blokbeeldenaar was een ingeslagen afbeelding van de muntbeeldenaar of een kenmerkend deel van de muntbeeldenaar van de munt waarvoor het muntgewicht was vervaardigd. Op een muntgewicht werd een kenmerkend deel van de muntbeeldenaar namelijk vaker tot hoofdmotief verheven.   

Om die reden kan het voorkomen dat er voor één munt muntgewichten zijn gemaakt met verschillende blokbeeldenaars. Op sommige muntgewichten is in de blokbeeldenaar een jaartal opgenomen. Dit jaartal zegt, in tegenstelling tot het jaartal wat soms boven het makermerk staat, niets over het jaar waarin het muntgewicht gemaakt is. Een jaartal op de blokbeeldenaar geeft alleen maar aan dat het jaartal op de muntbeeldenaar een prominente plaats inneemt. Na een aantal jaren werd het jaartal op de blokbeeldenaar aangepast. Zo is er voor de weging van een Hollandse dukaat een muntgewicht bekend waarop het jaartal 1750 is afgeslagen.Dat heeft te maken met het feit dat bij het plakkaat van
01-05-1750 de wettelijke massa bij uitgifte ofwel de wettelijke productiemassa op 2 engels en 9 aas (3,508617536 gram, afgerond 3,51 gram) werd vastgesteld. Voor de circulerende c.q. de in omloop zijnde dukaten werd toen een getolereerde massa in circulatie c.q. een wettelijke minimale productiemassa van 2 engels 8 ½ aas ofwel
3,484585909 gram vastgesteld.

Het makermerk
In de onderkant van het muntgewicht sloeg de muntgewichtenmaker vrijwel altijd zijn makermerk af, vaak voorzien van zijn eigen initialen, zodat iedereen kon zien dat hij dat muntgewicht had gemaakt. De gewoonte om op de onderkant van het muntgewicht een makermerk aan te brengen is afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden. Er bestond daar een vast merkenpatroon waarbij in het makermerk het wapen van de stad of een ander symbool dat naar de stad verwijst werd opgenomen. Van bijna ieder makermerk is op die manier vast te stellen uit welke stad het afkomstig is.

Bij muntgewichten uit Antwerpen is in het makermerk een hand, het stadswapen, opgenomen. Dit is later overgenomen door Middelburg door boven het provinciewapen een kleine burcht af te slaan. In de Noordelijke Nederlanden werd dit veel minder gedaan, wat blijkt uit bijvoorbeeld de in Amsterdam vervaardigde muntgewichten. Hiervan bezit slechts
20 procent een makermerk met het stadswapen.

Diverse muntgewichtenmakers hebben meer dan één makermerk gehad, hetgeen soms kwam omdat de muntgewichtenmaker naar een andere stad verhuisde. Dat was bijvoorbeeld het geval met Isaac Deelen. Hij werkte vanaf 1585 tot circa 1620 in Middelburg, waarna hij naar Rotterdam verhuisde en daar vanaf 1620 tot circa 1651 werkzaam was. In Middelburg voerde Isaac Deelen een makermerk dat bestond uit het provinciewapen van Zeeland geflankeerd door de letters I en D met daarboven een burcht. In Rotterdam gebruikte hij een makermerk bestaande uit een hoorn met daaronder de letters I D. In het makermerk werden ook wel eens kleine veranderingen aangebracht als het stempel door slijtage aan vervanging toe was.

In een enkel geval bezit een muntgewicht wel een aanduiding voor de stad waar het vervaardigd is maar geen initialen van de maker. Zo is er een muntgewicht bekend voor de weging van een 1/2 rozennobe1 met als makermerk het handje van Antwerpen met daarboven een rijksappel, geflankeerd door twee puntcirkels in plaats van de initialen van de maker.